Procesmanagers, de processierupsen van de polder (SDG17)

Ruimte voor de rivier bij Nijmegen/grens

Gisteren lazen we dat een Ruslandkundige, Ellen van Reesch door de Provincie Gelderland op boeren wordt afgestuurd, om ze te vertellen hoe ze boeren moeten. Procesmanagers, regisseurs, gebiedsontwikkelaars, kwartiermakers met een ‘aanvalsplan’, dat weer volgt uit een ‘akkoord’ of ‘convenant’, een papieren tijger die noopt tot ‘governance’ via een ‘stakeholdermodel’.

Ze delen een bestuurlijke filosofie, dat er geen natuurwetten of economische wetten bestaan. Het gaat alleen nog om bestuurlijke consensus, dat de meest luidruchtige partijen met de grootste (media)macht tevreden zijn gesteld. Dat is SDG17 van de 2030 Agenda: coalitievorming, ‘building partnerships’, wat in Nederland als ‘poldermodel’ werd aangeprezen. Zo worden critici met inhoudelijke kennis de mond gesnoerd, ten faveure van de groepsgeest voor ‘de doelen’ (politiek)

Ruimte voor de Rivier

278 hectare ‘overloopgebied’ voor anderhalf uur
Zo komen we vandaag op een artikel dat emeritus-prof Waterbouwkunde aan de TU Delft, Han Vrijling in 2013 schreef. Die weet alles van waterveiligheid, zag de vermanagering bij de overheid aan, en schreef daarover ‘Wetten, economische wetten en natuurkundige wetten’. Hoe men eerst vrienden-coalities smeedt, consensus, vervolgens kijkt hoe die vrienden economisch tevreden gesteld kunnen worden (subsidie), en pas dan kijkt men naar de technische invulling.

Of het gemaakte plan wel op enige wijze werkt naar wat de doelstelling was. Het ‘Energieakkoord’ dat geen CO2 bespaart maar wel 73 miljard euro SDE+-subsidies kost- bijvoorbeeld om bos in de brand te steken in biomassacentrales is van die bestuurskundige aanpak een uitvloeisel. De Regionale Energie Sabotage (RES) die onder verantwoordelijkheid van Ernst Paul Nas en jurist Sandor Gaastra tot blackouts zal leiden in Friesland is een ander voorbeeld.

Vrijling beschrijft die zelfde praktijk bij ‘Ruimte voor de Rivier’, het inzetten van ‘overloopgebieden’ langs rivieren. Zoals we al beschreven, diende Ruimte voor de Rivier vooral de natuurbouwlobby, en het is voor boeren zonder opvolging een handige manier om tegen mooie prijs van hun land af te komen.

Dit is de kern van SDG17

Maar het doel ‘waterberging’ is hiermee niet gediend, zo toont Vrijling met een simpele rekensom bij een Duitse polder van 278 hectare, die als wateropvang moet dienen, ‘retentiebekken’:

In het kader van de Ruimte voor de Rivier filosofie worden ook in Duitsland maatregelen genomen. Zo is net over de grens het retentiebekken Lohrwardt gebouwd met een inhoud van 15 miljoen kubieke meter. Dat lijkt enorm groot, totdat je gaat rekenen met de wet van behoud van volume.

Als het de bedoeling is om een Rijnafvoer van 18000 m3/s terug te brengen tot 15000 m3/s, dan moet er 3000 m3/s worden opgeslagen in het bekken. Het bekken is dan in ruwweg 5000 s gevuld. Dat is ongeveer anderhalf uur, terwijl de piek van het rivierhoogwater gemakkelijk 2 dagen kan aanhouden.

Het retentiebekken is voorzien van een inlaatwerk van 3x3m = 9 m2 doorsnede. Daar stroomt afhankelijk van het verval over het inlaatwerk 9 tot 70 m3/s in. Kortom een fractie van de benodigde 3000 m3/s. Volgens de natuurwetten kan het dus geen bijdrage aan de hoogwaterbestrijding. Natuurwetten schieten tekort, want het is gebouwd.

De bestuurskunde biedt waarschijnlijk wel een verklaring. De consensus van politici, die het Ruimte voor de Rivier beleid hebben omhelsd, de natuurbeschermers, die graag een stuk natuur veilig stellen tegen gebruik door anderen en boeren, die een kans zien hun weinig renderende land, waar zoonlief geen interesse voor heeft, te verkopen voor een goede prijs, maken het project tot een optimale oplossing.

Ruimte voor de Rivier-‘natuur’

Succesvolle tegenvoorbeelden zijn er in de Nederlandse bestuursgeschiedenis volop. Denk aan de Waterschappen en het dijkbeheer. Lokaal betrokken partijen, die vanuit een technisch vraagstuk naar een oplossing redeneren kunnen zo economische hordes overwinnen. En ze kunnen onderlinge sociale onenigheid overwinnen:

In de Nederlandse geschiedenis heeft het bestuur vaak meegewerkt om grote en gunstige veranderingen te weeg te brengen. Het verschil is waarschijnlijk dat toen het te behalen nut centraal stond en niet de bestuurlijke consensus. Het mooiste voorbeeld is de overgang van boeren die op terpen wonen in een onbedijkt land naar bedijking. Het is binnen een markteconomie niet mogelijk om tot de aanleg van een dijk te komen.

Wie neemt de enorme investering voor zijn rekening, die de frequentie van overstromen met zout water voor alle boeren terugbrengt? Hoe kan de initiatiefnemer het nut van zijn investering in rekening brengen bij degenen die profiteren? Ieder die niet betaalt, deelt toch in het voordeel. Deze “Tragedy of the Commons” kan alleen worden opgelost als de boeren samen een bestuur in het leven roepen, dat de taak krijgt de gemeenschappelijke dijk te bouwen en te onderhouden en het recht daartoe een belasting te heffen.

Een technische oplossing, die voldoet aan de natuurkundige en de economische wetten kan gerealiseerd worden door een bestuur van dezelfde geografische schaal met de juiste wetten.

Onze waterschappen zijn in dit opzicht niet uniek. Overal waar in de wereld irrigatiesystemen zijn aangelegd, waarbij water in de natte tijd wordt opgeslagen om het in de droge tijd te gebruiken voor bevloeiing, is deze zelfde bestuurlijke horde genomen. Waarschijnlijk al meer dan 1000j voor Chr.

De Rijn bij Lobith een machtige rivier

De plaag van bestuurskundigen
Problemen bij grote projecten ontstaan nu, wanneer deze geografisch gezien de reikwijdte van het bestuur overtreffen. Vrijling vervolgt:

In elke ‘water’discussie mengen zich tegenwoordig bestuurskundigen. De beoefenaars van deze betrekkelijk jonge wetenschap verkondigen dat de oplossing van de problemen begint met het opzetten van de juiste ‘governance’structuur, de juiste bestuursvorm. Daarna kan de techniek, de combinatie van economie en natuurkunde worden ingekocht. Dat geldt niet alleen voor de Nederlandse situatie maar ook voor buitenlandse.

Ons Deltaprogramma is een perfect voorbeeld van deze aanpak zo is mij verteld door een beoefenaar van de bestuurskunde. Eerst de beleidsalternatieven en de consensus dan volgt de rest.

Het zal u na het voorgaande niet verbazen dat ik enige twijfel koester. Die twijfel begint bij de onduidelijkheid over de doelen. Klimaatverandering en de daarmee verbonden zeespiegelrijzing en zoetwatertekorten zijn het probleem, die over ruim een eeuw urgent worden. Het is opvallend dat het Deltaprogramma weinig aandacht schenkt aan de werkelijke zeespiegelrijzing van 0,20m per eeuw, die nog steeds ver afwijkt van de 0,85m per eeuw waar zij zelf maximaal van uit gaan.

Een gedegen analyse van de ontwikkeling in de tijd in relatie tot de in de toekomst te nemen besluiten zou een goed onderdeel zijn.

Moet je nu al investeren in zo’n onzeker en ver verwijderd probleem. De consensuszoekers zijn daarvan overtuigd en hebben een vocabulair ontwikkeld: kansen benutten, meekoppelkansen, win-win situaties, waterrobuust bouwen, sturen op urgentie, maatwerk naar risico, de deltadijk, meerlaagsveiligheid, etc.

De Lorentzsluizen, en de meeuwen en aalscholvers waarvoor de Vispredatierivier (100 miljoen euro) als gat door De Dijk verschijnt

Deze begrippen zijn niet scherp gedefinieerd, klassiek een euvel, maar bij het zoeken naar consensus een voordeel. Het is bijvoorbeeld niet bekend hoe de deltadijk, die wel overstroomt maar niet doorbreekt, er uitziet en wat de kosten zijn. Toch blijkt hij op een aantal plaatsen al aanwezig te zijn (van der Kraan,A., 2012).

Een voorbeeld van een win-win situatie is de aanleg van de doorlaatwerken in de Brouwersdam. Die zijn nodig om het getij en daarmee de waterkwaliteit in het Grevelingen te herstellen. Dat is een dure constructie, maar er is ook een getijcentrale gepland om duurzame getijenergie te winnen.

De ontwerpers van de getijcentrale (slechts 30MW) kijken tegen een economisch volstrekt onredabel project aan, tenzij iemand anders de openingen in de Brouwersdam aanlegt. De win-win situatie lijkt er nu uit te bestaan dat elk aanneemt dat de ander de openingen bouwt.

De meerlaagsveiligheid, waarbij de veiligheid tegen overstromen niet langer alleen geleverd wordt door de dijk, maar ook door terpen, ruimtelijke ordening, waterrobuust bouwen èn tenslotte door hulpverlening. Door tal van mensen is reeds aangetoond, dat de tweede en de derde laag achter de veilige Nederlandse dijken economisch niet efficient zijn.

Slechts in een enkel geval, waar het verbeteren van de dijk erg duur is en het risico beperkt door de geringe diepte van de polder is het zinvol. Bijvoorbeeld in Dordrecht. Desalnietemin heeft de Minister in haar brief van 26 april 2013 aan de Tweede Kamer de meerlaagsveiligheid omarmd. In de onderliggende rapporten wordt het geheim onthuld: economisch is het niet rendabel, maar ‘iedereen is enthousiast’.

De ruimtelijke ordenaars zien grote mogelijkheden voor laag 2 en de veiligheidsregio neemt graag de uitdaging van laag 3 aan. Bestuurskundig een mooie consensus, die op een energieke uitvoering kan rekenen.

SDG17

De 2030 Agenda-filosofie met haar ‘stakeholder-model’ kweekt als vanzelf technisch en economisch mislukte projecten als de ‘circulaire landbouw’ en ‘energietransitie’.

Het hele idee van de SDG17 ‘building partnerships’ is daarop ingericht. Eerst alle neuzen de zelfde kant op, iedere denk-zelfstandigheid opheffen voor ‘de doelen’. Je zet eerst belanghebbenden rond een politiek doel, laat die de knikkers onder elkaar verdelen zoals in Friesland met een energie-alliantie, klassiek SDG17. De meeste van hen gaat zelfs Havo 3 Natuurkunde nog boven de pet:

Belanghebbend cordon van gesubsidieerde clubs rond de ambtenarij = ‘astroturfing’

En hoe dat verder uitwerkt, dat zien we dan in 2030 wel als de ramp is voltrokken, en bijvoorbeeld de stroom continue dreigt uit te vallen. Omdat je de energievoorziening afhankelijk maakte van het weer en de seizoenen. Je ziet nu dus dat de bestuurlijke praktijk niet ‘zomaar vanzelf’ uit de lucht is komen vallen. Er zit een agenda en filosofie achter van economische sabotage, die overeenkomt met het communisme: de 2030 Agenda.

Verknoop belanghebbenden in coalities, koop economische wetten af met miljardensubsidies. En zo kun je destructief beleid in technische en economische zin toch tot politieke realiteit maken. Immers, ook de keuze om ten koste van alles CO2 als ruggengraat van het industriele tijdperk te bestrijden is allereerst een politieke beslissing. De hele 2030 Agenda begint bij een politieke keuze, en vervolgens rommelt men er wat economische en technische argumenten bij.

Men houdt vaag hoe Het Grote Plan in de praktijk zal uitwerken, zodat niemand voor het hoofd gestoten wordt. Totdat de economische ramp en technische ramp niet meer is te verbloemen.