‘Hij gaf hun de landen van de heidenvolken’ (Psalm 105)

De eik waar ik graag mag zitten in de zon

De Psalm van de dag vanuit De Abdij van Langweer is nummer 105. De heilsgeschiedenis wordt herverteld, hoe de Heere zijn verbondsvolk overal begeleidt, hoe Hij als Grote Regisseur de Egyptenaren tegen zijn volk opzet, zodat Hij een excuus heeft om die Egyptenaren met zeven plagen te kwellen. Zo beroerd waren die Egyptenaren toch ook weer niet, zo dacht je dan wel eens…

Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste vruchten van al hun mannelijke kracht.

Hij leidde hen uit met zilver en goud,
onder hun stammen was niemand die struikelde.

Egypte was blij toen zij wegtrokken,
want angst voor dit volk was op hen gevallen.

Hij spreidde een wolk uit om hen te bedekken
en gaf vuur om de nacht te verlichten.

Zij baden, en Hij deed kwartels komen,
Hij verzadigde hen met hemels brood.

Hij opende een rots en er vloeide water uit,
dat als een rivier door de dorre plaatsen stroomde.

Want Hij dacht aan Zijn heilige woord,
aan Abraham, Zijn dienaar.

Zo leidde Hij Zijn volk uit met vreugde,
Zijn uitverkorenen met gejuich.

Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.
Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,

opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.

Met name de zin ‘zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd’ komt al met al niet erg sympathiek over. Maar goed, de Bijbel is wat Het Boek is, we hebben ons daar maar bij neer te leggen.